08 april 2019

Wiebes wil haast maken met een nieuwe Energiewet

Onlangs nam het Europese parlement de zogeheten ‘vierde elektriciteitsrichtlijn aan’. De bepalingen in die richtlijn moeten uiterlijk eind december 2020 door de lidstaten worden geïmplementeerd. Dat kan met een pennenstreek door de betreffende richtlijn integraal van toepassing te verklaren, maar dat heeft als gevolg dat de nationale regelgeving behoorlijk ondoorzichtig wordt. Nederland kiest daarom standaard voor de koninklijke route door de nationale wetgeving aan te passen in zoverre dat noodzakelijk is om te voldoen aan nieuwe EU-bepalingen. Aanvullende nationale maatregelen hierop, ook wel nationale koppen genoemd, zijn ongewenst, maar de politieke praktijk is weerbarstig. In een brief aan de Tweede Kamer laat minister Wiebes alvast weten dat hij nationale koppen noodzakelijk acht met betrekking tot de vierde elektriciteitsrichtlijn. Daarbij geeft hij ook aan haast te willen maken met de implementatie ervan en wel in de vorm van een nieuwe Energiewet.

De vierde elektriciteitsrichtlijn introduceert onder andere nieuwe bepalingen voor consumenten­bescherming. Zonder overeenkomstige aanpassingen van de Gaswet kunnen die nieuwe bepalingen de huidige symmetrie tussen leveringen van gas en elektriciteit verstoren. Dat geldt ook voor diverse andere zaken die de elektriciteitsrichtlijn introduceert, zoals bepalingen met betrekking tot slimme meters en data-uitwisseling.

Wiebes overweegt daarom ook de Gaswet aan te passen. Meer in het algemeen vereist de energietransitie zonder meer een vergaande integratie van energiesystemen.

Dit zou in de wetgeving weerspiegeld zou moeten worden door een samenvoeging van de Elektriciteitswet en de Gaswet. In de loop van dit jaar wil Wiebes die nieuwe wet uitwerken en eind 2019 ter consultatie publiceren. Overigens wil Wiebes de implementatie van de derde gasrichtlijn (zie volgende item) wel in een afzonderlijke wet regelen.

EU neemt controle over toevoer van gas

Het Europese parlement heeft ingestemd met nieuwe regels voor de gasmarkt. Voor Nederland zijn de directe gevolgen van deze gasrichtlijn beperkt tot nieuwe bepalingen voor gastransport tussen een lidstaat enerzijds en een niet-lidstaat anderzijds. Meer in het bijzonder betreft dat de BBL (Bacton Balgzand Line) gasleiding en enkele productieleidingen na een eventuele Brexit. De richtlijn maakt EU-binnenkomende gasleidingen feitelijk onderdeel van de EU, door regels die van toepassing zijn op leidingen binnen de EU, in principe ook van toepassing te verklaren op EU-grensoverschrijdende leidingen. Dat houdt in dat derden toegang tot transport moeten krijgen. Toegang die geborgd moet worden door bijvoorbeeld het beheer van zo’n leiding onder te brengen bij een min of meer onafhankelijke net- of systeembeheerder.

Afwijkingen van de bepalingen zijn mogelijk, maar slechts onder zeer strikte omstandigheden, waarbij toestemming van de EU-commissie is vereist. De richtlijn mikt vooral op leidingen die worden aangelegd ná het van kracht worden van deze richtlijn. De gevolgen voor Nederland zijn daardoor voornamelijk indirect.

Door de versnelde afbouw van de gasproductie in Groningen is Nederland immers een netto importeur van gas geworden. Dat gas moet namelijk in toenemende mate van buiten de EU worden aangevoerd, onder andere via de in aanbouw zijnde Nordstream 2.

Gebruik van biomassa als brandstof onder vuur

Per GJ energie stoot houtige biomassa 110 kilo CO2 uit. Dat is bijna het dubbele van de 57 kilo die bij het gebruik van 1 GJ aardgas vrijkomt en zelfs meer dan de 95 kilo CO2 die steenkool per GJ uitstoot.  In de politiek wordt echter een onderscheid gemaakt tussen CO2 afkomstig van fossiele brandstof en CO2 afkomstig van biomassa. Dat laatste wordt als ‘kortcyclisch‘ bestempeld en daarom op nul gesteld. Dat maakt het voor overheden aantrekkelijk om het gebruik van biomassa als brandstof te stimuleren, maar op die werkwijze is steeds meer kritiek. Omwonenden van (geplande) biomassacentrales maken zich zorgen om hun gezondheid want behalve een hoge CO2-uitstoot, veroorzaken biomassacentrales ook relatief veel luchtvervuiling, zoals door de uitstoot van fijnstof.

Elders in het land nemen protesten toe vanwege de grootschalige kap van bomen en het verdwijnen van bossen. Bomen halen immers CO2 uit de lucht en functioneren als CO2-opslag, zowel boven als onder de grond. Bovendien bieden ze huisvesting voor complete ecosystemen. Ecosystemen en biodiversiteit staan sterk onder druk wat mogelijk net zo’n ernstig probleem is als de opwarming van de aarde. Dat beperkt zich uiteraard niet tot Nederland. Veel houtige biomassa komt van buiten de EU, in het bijzonder uit het zuidwesten van de Verenigde Staten. Voor milieubeschermers en wetenschappers is de toenemende politieke steun voor het verstoken van biomassa, zoals onlangs vastgelegd in de Tweede Hernieuwbare Energie Richtlijn, aanleiding om de EU voor de rechter te dagen. De steun hiervoor groeit zoals blijkt uit toenemende aandacht voor de rol die bossen en ecosystemen kunnen spelen bij het beperken van de opwarming. Vooralsnog lijkt dat echter niet echt besteed aan de politiek in Nederland.

In het kader van ‘lokaal klimaatneutraal’ beleid, wordt op veel plaatsen gewerkt aan de overstap van gas op biomassa. Met het klimaatakkoord in aantocht, volgen waarschijnlijk nog meer biobrandstof initiatieven. Daarbij is de politiek zich wel bewust van de controverses, maar zoekt naar een uitweg die alle partijen tevreden stelt. Dat kan worden afgeleid uit een recente publicatie van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks. Door de inzet van biomassa als brandstof te combineren met afvang en opslag van CO2, worden ‘negatieve emissies’ gecreëerd. Die visie sluit goed aan bij de rapportages van het IPPC, maar gaat vooralsnog voorbij aan de praktische problemen van opvang en opslag. Dat geldt ook voor de oplossing die GroenLinks aandraagt voor de schaarste aan biomassa: de cascadering¹.

Houtige biomassa eerst voor andere doeleinden gebruiken, zoals in de bouw en voor meubels, is belangrijk, maar aan het eind van die keten heet de biomassa dan afval. Afvalverbranders heeft Nederland nu al in overvloed, maar energie uit die verbranders wordt meestal niet als groen beschouwd.

  1. Cascadering betekent een trapsgewijs proces. De term wordt gebruikt om het zo efficiënt mogelijk benutten van bio-grondstoffen (biomassa) te omschrijven. Een vroeg voorbeeld van een cascaderingsproces is de Ladder van Lansink, een methode voor afvalverwerking die in 1979 door de Nederlandse politicus Ad Lansink werd geïntroduceerd.


Marktprijzen

De olieprijzen zitten nog steeds duidelijk in de lift. Net als de vorige maand, beïnvloeden productiebeperkingen, problemen in Venezuela en het optimisme over de handelsbetrekkingen tussen de VS en China, het sentiment opwaarts. Begin maart lagen de prijzen voor brent rond de 66 USD/bbl terwijl begin april bijna 70 USD/bbl wordt betaald. De kloof tussen de prijzen voor de goedkopere Amerikaanse WTI en de relatief dure Europese brent, is gekrompen van bijna 10 USD/bbl tot zo’n 7 USD/bbl begin april.

De prijzen voor steenkool zette in maart de daling voort. Mild weer en relatief goedkoop aardgas dragen bij aan de prijsdruk. Levering in 2020 daalde van zo’n 81 USD/ton begin maart gestaag  tot beneden 70 USD/ton begin april. Leveringen op korte termijn daalden relatief zelfs nog sterker. Kwartaal 2 2019 bijvoorbeeld ging van een kleine 77 USD/ton begin maart naar 62 USD/ton begin april.

Bij emissierechten lijkt onzekerheid over Brexit te zijn weggeëbd en neemt de aandacht voor toekomstige herzieningen van het ETS toe. Ook is april de periode dat deelnemers aan ETS over voldoende rechten moeten beschikken om de gerapporteerde uitstoot te kunnen afdekken. Bij relatief stabiele prijzen rond 22 EUR/ton geeft dat de laatste dagen een opwaartse druk richting 24 EUR/ton begin april.

Op de elektriciteitsmarkt deden zich in de loop van maart voornamelijk prijsdalingen voor, maar begin april keerde de trend. Stijging van de prijzen voor emissierechten, maar vooral hogere gasprijzen droegen bij aan die stijging. Basislast kalenderjaar 2020 kostte begin maart een kleine 51 EUR/MWh, daalde tot beneden 48 EUR/MWh, maar steeg begin april weer richting 50 EUR/MWh. Prijzen voor levering in kwartaal 3 2019 liggen ruim 7 EUR/MWh lager dan kalanderjaar 2020.

In de eerste helft van maart trad in de gasmarkt een bijzonder fenomeen op. Prijzen voor de komende jaren kwamen in rap tempo dichter bij elkaar, vooral door een sterk daling van de prijzen voor 2020. Vervolgens liepen de prijzen weer uit elkaar met een duidelijke stijging begin april. De stijging wordt mede ingegeven door gestegen emissieprijzen, waardoor steenkool als brandstof voor elektriciteitsproductie minder aantrekkelijk wordt, ten gunste van aardgas.

 


Deel dit


Dit vind je misschien ook interessant….