Nieuwsbrief juli 2020

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws op de energiemarkt.

10 juli 2020

Schaliegas en -olie vallen van hun voetstuk

Begin deze eeuw veranderde de olie- en gaswereld ingrijpend. Door onder hoge druk water en chemicaliën de bodem in te persen, kon gas en olie worden gewonnen uit relatief dicht gesteente. Een van de pioniers was het Amerikaanse Cheasepeake Energy, een start up die in luttele jaren een beurswaarde bereikte van bijna 40 miljard USD. Draaiend op goedkope leningen zorgde de boorwoede van Cheasepeake en collega’s ervoor dat de Verenigde Staten zich ontwikkelde tot belangrijke exporteur van energie. De beurslieveling van voorheen vroeg op 28 juni echter het faillissement aan, omdat het de schuldenlast van 9 miljard USD niet langer kon dragen. Het voorval staat niet op zichzelf. De hele sector is getroffen door vraaguitval vanwege de coronacrisis en de lage prijzen voor olie en gas die daar het gevolg van zijn. Dat is meer de aanleiding dan de oorzaak van de malaise. Sterker nog, in de afgelopen 15 jaar heeft de Amerikaanse schalie-sector, volgens Deloitte, 300 miljard USD verlies gedraaid. Dat is nog exclusief van de kosten die op de Amerikaanse belastingbetalers worden afgewenteld, zoals zorg voor verlaten putten. Alleen al in Texas betreft dat maar liefst 400.000 putten.

Omvangrijke afschrijvingen op investeringen in de productie en transport van olie en gas zijn onvermijdelijk en dat blijft niet beperkt tot Amerikaanse bedrijven. Zo verwacht Shell over het tweede kwartaal van 2020 15 tot 22 miljard USD te moeten afboeken, onder andere op het ambitieuze Australische LNG project Prelude. Eerder al maakte BP bekend 13 tot 17,5 miljard USD te zullen afschrijven. Dat mede omdat voorzien wordt dat de coronacrisis een blijvende invloed heeft op de vraag naar olie en prijzen daardoor langdurig relatief laag zullen blijven. Ging BP tot voor kort nog uit van gemiddelde prijzen voor Brent in de periode 2021-2050 van 70 USD/bbl, inmiddels is die inschatting verlaagd naar 55 USD/bbl. Overigens kan het heel goed zijn dat gasprijzen juist gaan stijgen vanwege de blijvend lage olieprijzen. Veel schaliegas komt vrij bij de winning van schalieolie. Omdat de productie van schalieolie wordt verlaagd, daalt dus ook de productie van het zogeheten ‘assocciated gas’, wat een opwaarts effect op gasprijzen kan hebben.

Windsector en grootindustrie trekken samen op

De Noordzee kan uitgroeien tot een belangrijke dynamo voor de aandrijving van de Nederlandse energievoorziening. Het plaatsen van windturbines op zee is echter een kostbare aangelegenheid. Om dit rendabel te maken zijn subsidies en/of hoge elektriciteitsprijzen nodig. Omdat elektriciteitsprijzen afhangen van het moment van levering, is het vooral van belang dat de prijzen hoog zijn op momenten dat het op zee flink waait. Daarbij zal het in de komende jaren om dermate grote volumes gaan, dat maatregelen zoals slim laden van e-auto’s onvoldoende soelaas bieden. Het ligt daarom voor de hand om te kijken in hoeverre de grootindustrie een bijdrage kan leveren aan de benodigde flexibiliteit in de vraag naar elektriciteit. Dat helpt de industrie meteen bij de eigen opgave tot verduurzaming waarvoor immers productieprocessen geëlektrificeerd moeten worden.

Helaas is de praktijk weerbarstiger dan de theorie. Als de industrie te traag reageert, of wind op zee te voortvarend wordt uitgebouwd, dan dalen elektriciteitsprijzen dermate dat investeringen in windenergie onaantrekkelijk worden. Als de industrie te voortvarend elektrificeert of wind op zee achterblijft bij de verwachtingen, dan stijgen de prijzen dermate dat de industrie in de problemen kan komen. Om een kip-ei probleem te voorkomen, hebben windsector en industrie de handen ineen geslagen. Onder de vlag van ‘wind meets industry’ hebben diverse brancheorganisaties en de topsector energie een gezamenlijke agenda opgesteld om uitrol van wind op zee en elektrificatie van de industrie zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. De agenda bevat tal van actiepunten voorwaarden waaraan de overheid zou moeten voldoen om de agenda waar te kunnen maken. Zo moet de overheid zorgen voor een tariefsystematiek die flexibiliteit aan de vraagkant beloont. Ook wordt er gepleit om een routekaart voor elektrificatie van de industrie op te stellen, maar de minister heeft de Tweede Kamer laten weten daar niets voor te voelen. Wel stuurt hij dit najaar nog een brief naar de Kamer over de verduurzamingsvorderingen in de industrie.

Mogelijk Duits meerderheidsbelang in TenneT

TenneT heeft tot 2030 zo’n 40 tot 50 miljard euro nodig om transportnetten te verzwaren. Vooral het aansluiten van windparken op zee kost veel geld en de Duitse tak van TenneT is daarin koploper.  Om het benodigde geld op de markt te kunnen lenen, moet het eigen vermogen van TenneT met pakweg 5,4 miljard euro worden versterkt. Omdat de helft van dat bedrag bedoeld is voor de Duitse activiteiten, onderhandelt de Nederlandse regering met de Duitse federale regering over Duitse deelneming in TenneT. Die onderhandelingen zijn exclusief en vooralsnog onderneemt de regering geen actie om alternatieven voor een Duitse deelneming te ontwikkelen. Alternatieven, zoals verkoop aan een private partij, staan namelijk op gespannen voet met de randvoorwaarden die de regering hanteert.

De Minister van Financiën heeft aan de Tweede Kamer laten weten dat nog niet vaststaat of het een deelneming in TenneT Duitsland of in de overkoepelende TenneT Holding gaat worden. Dat laatste vereist een wetswijziging, omdat de elektriciteitswet voorschrijft dat alle Holding-aandelen direct of indirect in handen van de Nederlandse Staat moeten zijn. De regering streeft er naar om het aandelenbelang van Duitsland gelijk op te laten lopen met de kapitaalbehoefte van de Duitse activiteiten. Daarbij laat de minister de optie open dat Duitsland op termijn zelfs een meerderheidsbelang verwerft. Als Duitsland gaat deelnemen in de Holding, acht de minister die kans overigens niet zo groot. Bij keuze voor deelneming in TenneT Duitsland ligt een Duits meerderheidsbelang veel meer voor de hand.

Marktprijzen

In de afgelopen maand hebben de brent olieprijzen zich weten te handhaven rond de 40 tot 42 USD/bbl. De Amerikaans WTI volgde strak het patroon van brent op een niveau van ruim 2 USD/bbl lager. De vraag naar olie is weer iets aangetrokken, de voorraden zijn geslonken en productie daalt.  Vooral in de Verenigde Staten stijgt het aantal gerapporteerde coronabesmettingen fors, maar vooralsnog zonder dat opnieuw op de economische noodrem wordt getrapt.

In juni stegen de kolenprijzen licht. Vooral prijzen voor leveringen op korte termijn gingen omhoog, mede door de lage waterstanden in de grote rivieren. Desondanks zijn kolen op korte termijn, met prijzen begin juli rond 52 USD/ton, nog steeds pakweg 5 USD/ton goedkoper dan levering in 2021.

De prijzen voor emissierechten stegen eind juni fors, tot een kleine 28 EUR/ton begin juli. Aanscherping van ETS en alom aandacht voor groen herstel dragen bij aan die stijging.

Op de korte termijnmarkt was begin juni een duidelijk herstel van de vraag naar elektriciteit te zien. Zo ging de maand vooruit basislast van slechts 20 EUR/MWh begin juni naar ruim 30 EUR/MWh begin juli. Leveringen op langere termijn werden geleidelijk aan duurder, van ruim 36 EUR/MWh begin juni naar een kleine 42 EUR/MWh begin juli voor basislast 2021.

Gasprijzen kwamen in juni nauwelijks van hun plaats, althans, in absolute termen. Immers, de prijzen op de dag vooruit markt stegen van 3,6 EUR/MWh begin juni naar 5,5 EUR/MWh begin juli. Relatief gezien levert dat echter een zonder meer spectaculaire prijsstijging op van bijna 60%. Jaar vooruit leveringen ontwikkelden zich veel minder spectaculair, met een prijsstijging van iets minder dan 12 EUR/MWh begin juni naar iets meer dan 12 EUR/MWh begin juli.

Bron: Ice-Endex


Deel dit


Dit vind je misschien ook interessant….