Nieuwsbrief mei 2018

11 mei 2018

Succesvolle start voor voorbereidingen Duitse LNG-terminal

Gasunie, Vopak en Oiltanking werken, onder de vlag van German LNG Terminal GmbH, samen om in Noord-Duitsland een LNG-terminal te bouwen. In januari van dit jaar is een Open Season van start gegaan: een proces om de belangstelling hiervoor te polsen en potentiële klanten te vinden. Dat proces heeft geleid tot een behoorlijke hoeveelheid intentieverklaringen, aldus de initiatiefnemers. De terminal is gepland in Brunsbuettel aan de monding van de Elbe, de waterweg die Hamburg verbindt met de Noordzee.

German LNG Terminal kan nu verder met de voorbereidingen, zoals het ontwerp en de vergunningsaanvragen. De finale investeringsbeslissing zal pas eind 2019 worden genomen. Als de terminal wordt gebouwd, dan kan die vanaf eind 2022 zo’n 10% van de Duitse gasvraag beleveren. Zodoende kan de terminal substantieel bijdragen aan diversificatie van de mogelijkheden om Noordwest-Europa van gas te voorzien. Bovendien willen de initiatiefnemers, aldus het persbericht, zich in het bijzonder richten op LNG als transportbrandstof.

Gelet op de overcapaciteit aan LNG terminals in Europa en de dalende benuttingsgraad, moeten terminals het steeds meer hebben van het leveren van speciale diensten. Zo wijst McKinsey er op dat de benuttingsgraad van terminals in Europa sterk daalt ( 45% in 2010, 28% in 2017) maar dat het beladen van vrachtwagens juist fors stijgt. German LNG Terminal overweegt zelfs om LNG per trein naar het binnenland te gaan vervoeren.

Kosten energie- en klimaattransitie: schieten op bewegend doel

Iedereen wil weten hoeveel de energietransitie de samenleving gaat kosten, maar zodra pogingen worden gedaan om die kosten te berekenen, zijn de klachten niet van de lucht. Herberekeningen van kosten, zoals onlangs uitgevoerd door PBL, verstoren namelijk het heldere beeld van een vaststaande klimaatopgave per sector. Kosten en technieken zijn immers geen statisch gegeven, maar ontwikkelen zich dynamisch en soms zelfs spectaculair. De sterke daling van de kosten van wind op zee bijvoorbeeld heeft niet alleen vergaande invloed op de totale kosten van de energietransitie, maar ook op het hele pakket aan maatregelen om de beoogde 49% reductie van de CO2-uitstoot in 2030 te bereiken. Vanwege de kostendaling van wind op zee verliest CO2 afvang en opslag (CCS) sterk aan aantrekkelijkheid. Dat geldt vooral voor de duurste categorie[1] van CCS: industrie in het algemeen.

Door de verschuivingen in kosten ligt het voor de hand meer in te zetten op relatief goedkope wind- en zonne-energie en minder op de duurste vormen van CCS. Dat schrijft de regering aan de Tweede Kamer in een brief waarin flink met Megatonnen CO2 wordt geschoven. Zo gaat het doel voor CCS dat in het Regeerakkoord op 18 Mton was gesteld, nu naar 7,2 Mton. De verschuivingen worden ook veroorzaakt door veranderingen in inzichten van politici en beleidsmarkers. Tot die laatste categorie behoort de berekening op basis van het beëindigen van de SDE+ subsidieregeling na 2019.

Zonder de SDE+ heeft de regering namelijk de mogelijkheid om de financiële middelen doelgerichter in te zetten.

[1] PBL onderscheidt diverse vormen van CCS. Bij sommige industriële activiteiten is CCS relatief goedkoop, zoals bij de productie van ammonia(k), maar naarmate de CO2 meer verspreid moet worden ingezameld, wordt de techniek steeds duurder.

Snel meer werk maken van bodemenergie

Energie die gewonnen wordt uit de bodem kan een grote bijdrage leveren aan de energietransitie. Met warmtepompen kan bodemenergie op de gewenste temperatuur wordt gebracht voor het verwarmen en koelen van gebouwen. Omdat het daarbij vooral gaat om opslag en hergebruik van zomerwarmte en winterkoude, is het energetisch rendement van bodemenergiesystemen hoger dan bij andere omgevingswarmtetechnieken. Uit een evaluatie blijkt echter dat het aantal geïnstalleerde systemen de afgelopen jaren is afgenomen. Aanvankelijk kwam dat door de economische crisis, maar nu de bouw weer is aangetrokken, blijkt dat toepassing van bodemenergie achter blijft. De regering wil daarom in overleg met belangenbehartigers barrières voor bodemenergie wegnemen. Een van de onderdelen van de aanpak is betere kwaliteitsborging bij bedrijven die bodemenergiesystemen installeren. Daar is het namelijk slecht mee gesteld.

Bij ruim 2/3e van de bedrijven die de inspectie over de vloer hebben gehad, bleken de zaken niet goed op orde te zijn. Door strenger toezicht moet de kwaliteit en het normbesef bij boorbedrijven omhoog. Tevens kondigt de regering aan lagere eisen te willen stellen aan documentatie die nodig is om toestemming voor aanleg te krijgen. Waar mogelijk wil de regering ook andere belemmeringen in de regelgeving wegnemen.

Marktprijzen

Olieprijzen stegen aanzienlijk in de maand april. Van ongeveer 67 USD/bbl aan het begin van de maand april stegen de prijzen naar een kleine 76 USD/bbl eind april. Begin mei gaven de Amerikaanse voorraadcijfers echter ruimte voor een daling naar pakweg 73 USD/bbl. Ten opzichte van Brent steeg de Amerikaanse WTI minder sterk waardoor de spread tussen beide ruwe oliën opliep van 4 USD/bbl aan het begin van de maand naar 6 USD/bbl aan het einde van de maand. Ondertussen kijkt de markt vooral vooruit naar 12 mei a.s. Trekt Trump de stekker uit de deal met Iran en zo ja, volgen andere landen in een nieuwe boycot van olie uit Iran? In dat geval zullen de prijzen aanzienlijk stijgen. Andere landen hoeven de VS echter niet te volgen en kunnen er zelfs voor kiezen om Iranese olie te betalen in Chinese valuta (zie ook nieuwsbrief maart 2018).

In een maand met weinig handel volgden de prijzen voor steenkool in grote lijnen het prijsverloop op de oliemarkt: stijging met enkele schommelingen, Cal 2019, van pakweg 77 USD/ton aan het begin van de maand tot ruim 85 USD/ton aan het einde van de maand. Begin mei trad een scherpe daling met 2 USD/ton op.

In april bewogen de prijzen voor emissierechten voornamelijk tussen 13 en 14 EUR/ton om begin mei enigszins te dalen, dat in lijn met de prijsbeweging van de meeste energiedragers.

De prijzen voor elektriciteit weerspiegelen het patroon van de olieprijzen. Aan het begin van de maand april lag de prijs voor basislast 2019 rond de 40 EUR/MWh, piekte eind april ruim boven 43 EUR/MWh en daalde begin mei met 1 EUR/MWh.

Ook de gasmarkt kopieerde in de maand april de prijsontwikkelingen op de oliemarkt. Opvallend daarbij is dat de korte termijnprijzen ruim 1 EUR/MWh hoger zijn dan de cal 2019 prijzen, ondanks dat de zomer voor de deur staat.  De relatief hoge korte termijnprijzen worden veroorzaakt door de blijvend hoge vraag, alsof de winter nog gaande is, aldus Bloomberg. Door de koude winter zijn opslagen leger dan gebruikelijk en is veel gas nodig om de voorraden weer aan te vullen.

Bron: Ice-endex

 


Deel dit


Dit vind je misschien ook interessant….

}