14 mei 2021

België organiseert veiling voor de bouw van gascentrales

België wil tussen 2022 en 2025 de kerncentrales sluiten en de leveringszekerheid waarborgen. Voor dat laatste zijn naar verwachting twee of drie nieuwe gascentrales nodig, maar die komen er niet vanzelf. Marktpartijen vertrouwen er onvoldoende op dat de regering niet alsnog besluit om de kernuitstap weer uit of af te stellen.

Die patstelling wil de federale regering doorbreken door een capaciteitsmarkt op te zetten met in het bijzonder, het organiseren van een veiling. Die veiling moet in het najaar worden gehouden om voldoende tijd te bieden voor het bouwen van de benodigde 2300 MW productiecapaciteit, zodat op 1 november 2025 daadwerkelijk elektriciteit geleverd kan worden. In 2024 moet nog een tweede veiling volgen voor capaciteit die snel gerealiseerd kan worden.

Britse offshore wind verslaat bio-energie

Het opgestelde vermogen wind-op-zee is in het Verenigd Koninkrijk vier maal zo groot als in Nederland. In totaal gaat het om bijna 2300 turbines, goed voor 10,4 GW capaciteit. In 2020 werd daarmee bijna 41 TWh elektriciteit opgewekt. Ter vergelijking, dat is meer dan de bijna 40 TWh opgewekt met biomassa. Dat blijkt uit het operationele jaarverslag van de beheerder van de Britse offshore gebieden, the Crown Estate. Het verslag meldt diverse belangwekkende wapenfeiten. Zo zit er in het VK maar liefst een verdubbeling van het opgestelde vermogen in de projectenpijpleiding.

Meer nog dan een sterke groei van het opgestelde vermogen, zijn nieuwe windparken op zee verantwoordelijk voor een sterke stijging van de totale productie. De zogenaamde capaciteitsfactor van nieuwe turbines ligt inmiddels boven 50% en naar verwachting gaan de GE Haliade-X 13’s die op de Doggersbank moeten verrijzen, zelfs 60% halen. De gemiddelde capaciteitsfactor van het bestaande Britse offshore-productiepark neemt door de modernisatie gestaag toe en ligt inmiddels boven 45%, waar dat 15 jaar geleden nog minder dan 30% was.

Frankrijk kiest voor drijvende windparken op zee

Om offshore-windparken te ontwikkelen, moeten landen niet alleen de beschikking hebben over ruimte op zee, maar ook moeten die zeeën niet al te diep zijn. De grootste wind-op zee naties - VK (10,4 GW), Duitsland (7,7 GW), Nederland (2,6 GW), België (2,3 GW) en Denemarken (1,7 GW) - kunnen zich gelukkig prijzen met zulke omstandigheden. In water dat niet dieper is dan 60 meter, kunnen windturbines immers met de poten op of in de bodem worden gezet, een methode die eenvoudiger en goedkoper is dan het alternatief: drijvende windturbines. Desondanks zijn de verwachtingen voor drijvende turbines hoog gespannen. Diverse landen, zoals Noorwegen en Frankrijk, beschikken immers over grote oppervlaktes zee, maar wel veelal dieper dan 60 meter. Bovendien, omdat drijvende windparken niet afhankelijk zijn van de diepte, kunnen ze worden geplaatst waar het veel waait. Zo heeft het eerste drijvende windpark, 30 MW park Hywind Scotland, een capaciteitsfactor van maar liefst 57% gehaald.

Binnenkort kan deze technologie een ferme steun verwachten van Frankrijk. Frankrijk streeft er namelijk naar om in 2028 in totaal 8,75 GW aan offshore windparken operationeel te hebben. Daarbij richt Frankrijk zich zowel op traditionele windparken als op drijvende turbines. Voor drijvende turbines organiseert het land momenteel een tender om ten zuiden van Bretagne een windpark van pakweg 270 MW te realiseren.

Verstrekkende uitspraak Duitse Hof: klimaatacties dulden geen uitstel

Het Duitse Constitutionele Hof heeft de voorgestelde klimaatwet afgeschoten. In de opmerkelijke en verstrekkende uitspraak, worden de voorgenomen acties aangemerkt als ‘te weinig en vooral te laat’. De klimaatlasten worden in het wetsvoorstel te veel naar de toekomst doorgeschoven en dat gaat ten koste van de vrijheid van toekomstige generaties. Immers, elke ton CO2 die nu wordt uitgestoten, beperkt de emissieruimte in de toekomst. Zelfs bij ‘min 55% in 2030’, is meer dan 90% van het Duitse budget om de opwarming beneden 1,75°C te houden, in 2030 al opgesoupeerd. Erger nog, het budget voor beperking tot 1,5°C opwarming zou er in 2026 al doorheen zijn.

De keuzemogelijkheden voor de na-2030 generaties worden door trage emissiereductie beperkt en het is die serieuze dreiging van de aantasting van de vrijheid, die het voorstel onconstitutioneel maakt. Het Hof geeft de regering de gelegenheid om tegen het einde van 2022 met een gedetailleerd plan te komen voor een veel snellere en sterkere reductie van de uitstoot van broeikasgassen na 2030, een reductie die tegen 2038 al op nul-uitstoot uit zou moeten komen. Echter, naar het zich laat aanzien zal de regering voortvarender te werk gaan dan het Hof eist. Anders dan de Nederlandse regering die zich met alle wettelijke middelen tegen de uitspraak in de Urgenda Klimaatzaak heeft verzet, lijkt de Duitse regering de uitspraak juist te omarmen. De regering wil insteken op min 65% in 2030, min 88% in 2040 en nul-uitstoot in 2045, maar de populaire Grϋnen pleiten zelfs voor min 70% in 2030.

Welke getallen er ook uit het politieke proces komen, de gevolgen zullen ook voor Nederland verstrekkend zijn. Zo valt te verwachten dat Duitsland zich de komende maanden hard zal maken voor een voortvarende versterking van het Europese systeem van handel in emissierechten, met hogere prijzen voor emissierechten als gevolg. Ook de kolenuitstap wordt mogelijk versneld en opwek van duurzame elektriciteit juist gestimuleerd.

Om klimaatneutraal in 2045 te halen, noemt Agora-Energiewende 0% kolen en 70% duurzame elektriciteit in 2030 wenselijk. Gecombineerd met de op stapel staande kernuitstap, kan dat inhouden dat Duitsland steeds vaker een beroep zal doen op Nederlandse gascentrales in periodes met weinig zon en wind en buiten die periodes juist elektriciteit aan Nederland levert. Nederlandse elektriciteitsprijzen kunnen dan fors stijgen als gas nodig is en flink dalen bij wind en zonneschijn.

Marktprijzen

Ondanks Opec’s en Rusland’s beslissing van begin april om vanaf mei de olieproductie geleidelijk aan op te voeren, zijn de olieprijzen gedurende april met ruim 10% gestegen. Lage voorraden in de VS en optimisme over economisch herstel, lieten de balans doorslaan richting toenemende schaarste, een sentiment dat momenteel voor veel grondstoffen de toon zet. Van een prijsniveau begin april rond 63 USD/bbl, steeg brent begin mei richting 70 USD/bbl,

Ook steenkool werd duurder gedurende de maand april. Wederom waren het vooral leveringen in de komende maanden die aanzienlijk in prijs stegen, levering jaar vooruit hield het gematigder. Dat laatste product ging van ruim 72 USD/ton beging april naar zo’n 77 USD/ton begin mei. Leveringen in de komende maanden kwamen van een lager niveau, maar haalden eind april de jaar-vooruit in en stegen begin mei door richting 80 USD/ton.

Na halverwege maart definitief boven de 40 EUR/ton uit te stijgen, lijken de emissieprijzen eind april/begin mei, een aanval op de 50 EUR/ton te doen.  Aanscherping van de ETS staat de komende maanden op de agenda van de EU en de uitspraak van het Duitse Constitutionele Hof geeft een forse steun voor verdere aanscherping en dus steun voor hogere prijzen van de verhandelbare, maar steeds schaarser wordende rechten.

Zon en wind zorgden voor het sneuvelen van productierecords duurzame elektriciteit, maar wel met een forse weerslag op de spotprijzen. Tijdens Bevrijdingsdag daalde de EPEX voor levering tussen 2 en 3 uur ’s middags zelfs naar min 22,60 EUR/MWh, maar in Duitsland zakte de prijs nog verder weg: min 36,71 EUR/MWh. Desondanks stijgen de termijnprijzen en dan vooral de maand vooruit, een en ander overeenkomstig de prijsontwikkelingen voor steenkool en aardgas. Waar de prijs voor basislast 2022 begin april nog op 55 EUR/MWh lag, moest begin april bijna 60 EUR/MWh worden betaald. Leveringen basislast in de komende maanden zijn bijna 5 EUR/MWh duurder dan levering 2022.

Net als bij kolen en elektriciteit, stegen de prijzen voor gas en dan vooral voor leveringen in de komende maanden. Bij de jaarcontracten was die stijging relatief bescheiden, maar 2022 liep wel sneller omhoog dan 2023 en 2024. De prijzen voor leveringen op de korte termijn stegen aanmerkelijk, van zo’n 19 EUR/MWh beging april naar pakweg 24 EUR/MWh begin mei.

Bron: Ice-Endex


Deel dit


Dit vind je misschien ook interessant….